We stonden daar maar. Net niet roerloos voor mijn gevoel. Er moest muziek zijn, ergens, en caf?. Maar ik keek alleen maar in haar ogen, diepbruin, en hield haar vast. Ik zag alleen haar ogen en zelfs die niet echt. Ik dwaalde af, heel ver weg.
Ver weg in gevoel, niet in tijd. Het zou na?ef zijn te denken dat een onbezoedeld begin langer dan een paar dagen duurt. Ik zou al blij zijn met een paar uur. Maar nu ploeg ik eindeloos en moeizaam door gevoel om ons onbekommerd begin terug te vinden. Ik ben dan maanden terug in tijd, niet jaren. Het zou omgekeerd moeten zijn.
Zo weinig houdbaar zijn wij dus, dacht ik, en keek dwars door het diepbruine heen.
Je kijkt verdrietig, zei ze. Als ik had gehuild, had ze vast mijn tranen weggekust. Ze had gelijk, maar ik huilde niet - verdriet al voorbij.
Ik deed een stap terug, pakte haar handen, zwaaide ze naar buiten en weer naar binnen. Ik plakte een lach op mijn mond.
"Ik denk dat het wel goed komt."
Het ergste was, ze geloofde het.
Niet echt integer die opgeplakte lach
maar wel een mooie foto van die rups!