Een man stinkt. Intens. Naar Nibb-it en bokworst. Hij duwt zijn dikke buik tussen de schuifdeuren door. Hij gaat achter me zitten, maar komt over de achterkant van mijn bank leunen als hij iets wil vragen. Het is een grote man.
Ik kijk in een gezicht dat nog het meeste weg heeft van een kruising tussen Salvador Dal? en een woeste kerstman. Een open blote billengezicht, wild grijs haar en een dikke snor. Deze man klopt niet helemaal.
"Hee, het is wel goed h?, als ik even het raam open doe?" bast hij luid, "Ik moet even het raam opendoen. Echt. Het is heel warm hier. Ik doe even het raam open. Geeft niet toch? Hee, ik doe het raam open."
Hij ziet er tamelijk vervaarlijk uit, maar praat als een klein kind. Ik voel me net een hulpverlener. Dus ik spreek 'm maar streng toe.
"Ja, dat is goed. Maar als ie straks gaat rijden, dan tocht dat wel. Dus dan moet je 'm wel weer dichtdraaien h?."
"Jajaja.. Nee, tuurlijk. Maar het is echt warm hier. Ik doe 'm even open hoor. Ik draai 'm meteen weer dicht als ie begint te rijden. Maar nu doe ik 'm open."
"Ja, draai 'm nu maar open."
De man draait het raam open. Hij gaat zitten en puft luid nog wat Nibb-it en bokworst over de bank. Hij mompelt tegen zichzelf dat de trein wel mag gaan rijden en dat het toch maar wat is. En als de trein vertrekt puft hij nog eens en wil dan ergens anders zitten. Hij kan niet tegen achteruitrijden.
Hij staat op en ik kijk hem aan.
"Oh ja. Nee, sorry. Ik draai hem eerst wel dicht hoor. Sorry hoor."
Hij draait het raam dicht en gaat verzitten.