Er is een jachthaven in mijn buurt. Aan de achterkant en aan de zijkant van mijn gebouw liggen in de zomer motor- en zeilboten en -bootjes. Duitsers op weg naar Friesland. Of Friezen op weg naar Duitsland. Leuk, dwars door Groningen en aanleggen midden in de stad. Bijna in de oude stad, langs de route naar een parkeerplaats, dus genoeg te zien. Weer eens wat anders dan weiland en dorpjes.
Vanmiddag liep ik met de logees ons, inmiddels vaste, rondje. Een zeilboot meerde af aan de kade, aan de zijkant van mijn gebouw. Het was een tjalk. Tenminste, ik denk dat het een tjalk was. Ik onderdruk de neiging maar om meteen Aukje te vragen of je een houten platbodem zo noemt. Het was een donkergroene.
Groene Min was de boot gedoopt en ter illustratie was een bronzen zeemeermin achter op het roer geschroeft. Met de glas-in-loodramen aan de achterkant van de kajuit en heel veel blank touw overal, was het helemaal authentiek. Op het dek stond een statige bruin-witte hond met staart en hangoren. Een stabij of een ander oud ras, als ultieme accessoire voor een oud-Hollandsche bootvakantie.
De schipper had blond haar, maar geen baard. Hij stond in een zwemslip en een te klein geel t-shirt aanwijzingen te geven aan zijn vrouw. Ze was van boord gesprongen en had een lijn toegeworpen gekregen. Het zijn zware boten, die tjalken. De schippersvrouw stond voorovergebogen aan het touw te trekken. We liepen recht op haar zwarte bikini-broekje af.
De logees wilden de straat oversteken naar de Min, maar ik zei "Kom!" en "Nee.." en we sloegen af. Aan het einde van ons inmiddels vaste rondje kwamen we weer langs de Groene Min. De schippersvrouw stond niet meer aan het touw te sjorren. De boot lag keurig afgemeerd langs de kade. Ze zat op het achterdek en las een Priv?. Of een Weekend, dat lijkt nogal op elkaar. De stabij was weg, net als de man. Ze keek even op van het tijdschrift om naar de hondjes te glimlachen. Ze droeg inmiddels een gehaakt wit hemdje over de bikini. En een zonnebril.
U heeft katten. En verhaalt er enthousiast over. U weblogt over katten, simpelweg omdat u ze heeft. Niet omdat ze bijzondere dingen doen. U heeft ook honden. Dat moet wel. Maar daar hoor ik u, webloggers, maar weinig over. Toen ik de logees kreeg, vroeg ik me af waarom.
Ik kijk nu twee dagen tegen de honden aan. En zij tegen mij. Als ze wakker zijn. Want meestal slapen ze. Misschien ligt het aan het ras. Zijn ze nogal lui, wanneer in ruste. Maar misschien is het ook wel typisch hond. Ik heb het gevoel dat, wanneer ik niets zou doen, ze werkelijk de hele dag maar wat liggen te slapen. Het liefst in de buurt van mij.
Het plan voor de komende week is om twee keer daags mee te paraderen met de gaatjesschoenen en schnautzers. E?n keer per dag vermaak ik mijn gasten met domme spelletjes en een godsoneindig eind lopen - godsoneindig voor beagles dan toch. Daar worden ze moe van. Dan kan ik dat slapen en hangen tenminste een beetje plaatsen. Niet dat het heel veel uitmaakt, want ik typ toch wel over ze. Omdat ik ze heb, niet omdat ze bijzondere dingen doen.
Er liep een jongen over de Singels. Hij droeg een lichte broek, wijd. Een grijs shirt en een groenige schoudertas. Donker krullend haar en wenkbrauwen die je niet meteen borstelig zou willen noemen. Een lange jongen, of dat leek alleen op afstand zo, omdat hij tenger was. Hij liep niet aan de zijkant, langs de huizen, zoals de meeste voetgangers. Hij liep over het groene midden, zoals sommige voetgangers.
Sommige voetgangers lopen over het middengedeelte. Dat zijn de hondenbezitters van de Singels en omgeving. De jongen liep daar ook. Met twee beagles, vrouwtjes. Of dames meer. Twee beagles, dat misstond niet in de rashondenparade op de strook. Niet dat de jongen verstand had van honden, maar zoveel huizen met een belle etage op een rij, doet vermoeden dat daar veel merkhondjes wonen. En ook die moeten uitgelaten worden.
De jongen liet de honden uit. En hij maakte een praatje met een meneer met een wijde corduroybroek en een McG polo. Hij werd vertederd aangekeken door twee omaatjes die naast hun fiets stonden. Hij werd toegelachen door een heel mooi meisje op de fiets, toen hij met zijn handen op de rug stond te klungelen met twee in elkaar gedraaide riemen, terwijl de honden ieder een kant op liepen. Hij lachte vriendelijk terug en hoopte dat ze hem niet uitlachte.
De jongen, dat ben ik. Maar dat had u natuurlijk allang in de gaten. Twee beagles, de een nog maar elf maanden oud. Ik heb ze een week. Ik weet bijna zeker dat ik er van ga genieten. En nog meer als ze weer terug zijn bij A. Is de paradestrook weer helemaal voor de corduroymeneren, krijg ik weer vrijheid.
Szcz. gaf me een lijstje met mp3's. Van Elliott Smith. Ik had nog nooit van Elliott gehoord, maar toen ik het hoorde was ik meteen een beetje fan. Mooie liedjes. Ik luisterde eens naar de tekst van I didn't understand.
thought you'd be looking for the next in line to love then ignore
put out and put away
and so you'd soon be leaving me alone like i'm supposed to be tonight,
tomorrow and everyday
there's nothing here that you'll miss
i can guarantee you this is a cloud of smoke
trying to occupy space
what a fucking joke
what a fucking joke
i waited for a bus to separate the both of us and take me off far away
from you 'cos my feelings never change a bit i always feel like shit i
don't know why i guess that i "just do"
you once talked to me about love and you painted pictures of
a never-neverland and i could've gone to that place
but i didn't understand
i didn't understand
i didn't understand
Niet heel vrolijk. Maar wel heel mooi. Ik vroeg B., muzikale opvoeder, wat hij wist.
"Elliott Smith? Die is dood."
"Oh.. dus geen concert?"
"Denk het niet."
"Jammer."
"Tja.."
Tja. Het zal de tragiek van de singer/songwriter zijn. Levensgeluk is een hoge prijs voor mooie liedjes. Maar ja, de mooiste liedjes worden precies zo duur betaald. Het klinkt mooier als de schrijver meent wat hij zingt. Dus dan krijg je er een keer een in de schoot geworpen die je heel goed vindt, is hij dood. Of in een muzikale coma, omdat hij van de drank af is of gelukkig.
Misschien moeten B. en ik ons maar eens verdiepen in de teksten van Frans Bauer of Hazes. Aan het Nederlands Rijmwoordenboek is nog iemand overleden, voor zover wij weten.
"Vind je het niet eng om zomaar bij ons in te stappen?"
"Eng? Ehmm.. nee. Zou dat moeten dan?"
"Nou ja.. voor hetzelfde geld zijn we twee psychopaten," maar het klonk meer alsof ze dacht dat ik er een zou kunnen zijn.
"'t Zou een originele manier zijn om te sterven," als de spanning van fysieke aantrekkingskracht ontbreekt, valt het me minder zwaar gevat te zijn. Bleek.
Ik had net A. en de hondjes half naar huis gelopen en was op weg terug, toen een rode Toyota, 'n oude Corolla, gokte ik, naast me kwam rijden en stopte in een parkeerhaven voor de ingang van de Oosterpoort. Een groot, gezond blozend, rond hoofd met daarbovenop blonde ingevlochten dreads hing aan de passagierskant uit het raam en vroeg of ze iets mocht vragen. Dat mocht. Of ik wist waar ze konden parkeren.
Parkeren.. parkeren. Ik keek naar binnen en zag nog een blozende mevrouw, roodharig. Ze wisten vrijwel niets in Groningen, dus waarom niet parkeren in mijn buurt? Ik verzon zomaar een reden om vooral niet midden in het centrum te parkeren en zei dat ik ze wel kon wijzen waar de auto te stallen. En ik moest toch die kant op, dus of ik dan maar niet meteen bij ze in de auto zou stappen. Dat mocht.
We reden naar de Oosterkade. We praatten een praatje.
Wat studeer je?
Is dat leuk?
Hoe woon je?
Ga je ook nog op stap?
De blonde mevrouw vond het net chatten, zo'n praatje. Ik vond chatten meer net praten. Maar dat begreep ze niet helemaal. We reden naar de Oosterkade, ik stapte uit en wenste ze een gezellige avond. Ik liep naar huis en vond het toen alsnog wel wat merkwaardig, zomaar instappen bij twee mensen op vijfhonderd meter van je huis.
Klaar! Gehaald! En.. na een lange nacht slapen is alle pijn -nou ja, bijna alle pijn dan toch- weer vergeten en roep ik, als ik niet uitkijk, dat ik het volgend zo weer zou doen. Vier rondjes met ruim veertigduizend mensen. Het was leuk. En afzien. En zottigheid. En huilende mensen. En vooral voorbij. Ik kan maar beter uitkijken.
Met ruim veertigduizend mensen een rondje lopen, dan moet je wel praatjes gaan maken met onbekenden. Dat is bijna niet te voorkomen. 't Gaat meestal nergens over. Ik liep gisterochtend over een slingerende dijk, volgens mij hing er nog wat mist. Maar misschien was dat ook wel donderdag, dat er mist hing. Al die dagen, gevuld met lopen, eten, slapen (en een beetje typen), dat lijkt met vermoeidheid in het hoofd allemaal op elkaar.
Ik liep over een dijk en maakte een praatje. Het praatje ging over de muziek langs de route. Veel carnavalshoempapa met een beat er onder. Veel kabouter Plop. En veel Frans Bauer. Heel veel Frans Bauer. De medewandelaar en ik houden niet zo van Frans Bauer. M. houd ook niet van Frans Bauer. En A. heeft een hekel aan Frans Bauer. Wij bedachten een Frans Bauer-vrije route, alternatieve Fransvrije lussen en Bauerloze dagen, maar konden nergens een idee?nbus vinden.
Ik liep over een andere dijk en maakte een praatje. Met een jongen uit Harkstede. Hij liep de Vierdaagse met voetbalvrienden. Hij was versierd door een man, zei hij. Aan het einde van dag twee, roze woensdag in Via Wammus.
"E?n op tien is het."
"Echt?" het leek me wat veel.
"Ja, dat zeggen ze."
"In dat geval heb je er vast ook ??n in het team. Ik gok de keeper."
"Keijzer? Nee, die is geen homo. Fuckface misschien."
"Fuckface?"
"Ja."
"Oh. Okee."
Echt, het gaat nergens over. Maar als je niet oplet, loop je er volgend jaar weer.
Op dertig kilometer van het einde ben je moe, althans, op de derde dag. Dat wil zeggen, ik. M. en A. leken helemaal niet moe, zij hadden gisteren hun slechte dag al. S., ook in mijn groepje, is gisteren uitgevallen. Nadat ze de 50 kilometer wel had uitgelopen.
S. klaagde dinsdag al over blaren en liet aan het eind van de dag zien, wat ze bedoelde. Dat was geen prettig gezicht. Over de bal van haar voet liep een blaar, van uiterst links tot uiterst rechts. En dat was nog maar ??n van de pakweg twaalf.
Gisteren ging ze na tien kilometer naar een blarenpoli bij een militaire rustplaats (mooi he, ik spreek Vierdaags). De blarenprikhulpverlener keek eens naar haar blote voeten.
"Oh.. eh.. blijf vooral even liggen. Ik haal er een verpleegkundige bij."
Juist. De verpleegkundige zei dat ze er maar mee moest ophouden, gaf S. weinig kans om de 50 kilometer uit te lopen. S. wilde echter pers? de dag volmaken en liep bijna onafgebroken de resterende 40 km. Toen was het klaar voor dit jaar. Helaas.
Wij liepen vandaag nog een rondje. 't Viel niet mee. Maar dat hoort zo. Ik mag morgen weer. Net als A. en M. Maar die hadden dan ook hun dag.
Op twintig kilometer van het einde van een etappe ben je moe, tenminste ik. Niet dat je het dan meteen niet haalt, maar je bent gewoon moe. Te vroeg opstaan, teveel gelopen de dag ervoor, te weinig tijd om fatsoenlijk te herstellen.
En als je dan moe bent, werkt je hoofd anders dan normaal. Labieler en trager. Ik deed erg mijn best om me niet te ergeren aan de meneer van het scoutinggroepje voor ons. Hij was veel te oud voor de scouting. Hij bl?rde er maar van alles uit en dacht dat dat wel kon. Liedjes zingen m?et tenslotte onder het wandelen. Niet-ergeren lukte net, maar niet de hele tijd.
Op twaalf kilometer van de finish, ging er opeens een jongetje voor me staan. Zes jaar oud, categorie: uiterst schattig. Maar schattig of niet, door een traag hoofd liep ik hem bijna omver. Ik vloekte. Net niet, maar wilde hem wel vertellen dat hij beter eerst uit kan kijken voor hij oversteekt. Maar het schattige jongetje keek op, stak zijn hand uit en zei: "Meneer. Hier, deze moet jij hebben." Ik kreeg een gladiool en was op slag geroerd vrolijk. Wel vier kilometer lang. Ook best labiel.
Op vier kilometer liep ik alleen met A. We waren af. Zeker dat we het gingen halen, maar af. We hadden het over liedjes die je door de laatste kilometers zouden kunnen helpen.
"Die ene.. t??duhduhduh tuhd??hduh."
"Oh.. ja.. met die drums."
"Ja.. en gitaar."
"Is dat niet van Seven Nation Army?"
"Is dat niet de band?"
"Ja.. geloof het wel."
Maar hoe de band nu heet, te traag, te moe. Ik ben 'thuis', maar nog steeds geen idee. Terwijl ik het heus wel weet. Welterusten derhalve, denk ik maar. En voor morgen: ik ruil mijn massage in voor wat extra slaap, ik zet geen joker in.
't Was nogal nat, vandaag. Het is niet dat ik u wil vervelen met details over het weer, maar het was noemenswaardig nat vandaag. Terwijl ik met A. de zon nog wel had zien opkomen, zo rond een uur of half zes. We liepen toen al anderhalf uur. Anderhalf uur, dat was even lang als ik daarvoor had geslapen. Niet dat ik u wil vermoeien met hoe lang ik slaap per nacht, maar het was noemenswaardig kort vannacht.
Dat kwam door gebrek aan ritme in de weken ervoor en omdat je in het donker zo mooi kunt praten. Ik lag te logeren naast Merel en we hadden zo'n typisch campinggesprek in het donker, zoals u vroeger zelf vast ook wel had. Dat je in de tent lag in de slaapzakken en maar praatte en praatte, tot de antwoorden steeds langer op zich lieten wachten. En uiteindelijk iemand mompelde dat hij ging nu echt ging proberen te slapen. Meestal ging de wekker dan niet om drie uur af.
Om drie uur op, een veelbelovende zonsopkomst en om tien uur regen. Dan kruip je maar in je poncho en loop je. Tot je bij de finish bent. Het wordt niet heel leuk, want iedereen is vooral nat en klam en langs de kant van de weg staan ook niet echt heel veel mensen. Wij, het groepje, werden wat moe en moedeloos en chagrijnig, maar haalden de finish. Mijn controlekaart werd geknipt door Assiewam, dat was leuk.
Het is bijna tien uur. M. ligt al in bed. Merel is in Den Haag. Of bij haar ouders of in Groningen, dat wist ze nog niet vanmiddag. Ze stuurde een sms, toen M. en ik ons nummer haalden voor de massage. Dat we de morgen misschien niet moeten vergeten om de mokken mee te nemen, als we toch ook een fles koffie meenemen. Zo'n dag. Vierdaagse, jeuj. Ik ga naar bed, slaap inhalen - 'n beetje dan toch. Morgen wordt alles beter. De masseur zei het me vanavond en complimenteerde me daarbij.
"Je hebt losse spieren. Houden zo."
Ik denk dat dat gaat lukken.
PS. Denkt u iets in de richting van: "Gunst, ik wil wel eens zien of Robtheblob 'm uitloopt," dan kunt u hier mijn loopnummer invoeren: 50L744
Het lukt niet. Als er iemand meekijkt, terwijl ik typ, lukt het niet zo goed. Ik ben nu bij haar, samen met M. En morgen begint de Vierdaagse.
"Typ eens een stukje," zei ze en ik wilde dat wel. Het is tenslotte al een paar dagen geleden dat er wat getypt werd. Terwijl ik eigenlijk vind dat je moet proberen iedere dag iets te plaatsen. Je hebt een hobby of niet.
Ik ging zitten en tikte wat. Maar ik vind het maar niets, als mensen meekijken. Ik laat niet graag in mijn hoofd kijken, denk ik. Zoiets. Zonet deed ik net of ik wat typte, terwijl achter me wat werd gekletst. M. vertelde over de blind date van B. En zij moest daar om lachen. Nu zijn ze stil. Maar nog lukt het niet echt.
Morgen begint de Vierdaagse. Of nee, straks begint de Vierdaagse. Om drie uur gaat de wekker en om vier uur hebben we met afgesproken met S. en A., de Vrouwen. Daar zie ik nog het meest tegenop, dat opstaan. Die vrouwen, dat loopt wel los. Vier keer achter elkaar opstaan om drie uur, de laatste tijd slaap ik dan nog maar net.
Elf uur, volgens mij moet ik maar eens gaan slapen. Of in ieder geval gaan liggen. Over vier uur gaat de wekker al en dat typen met nog twee mensen in de kamer, lukt toch niet. Ik kan u morgen een stukje beloven. Over Vierdaagsezotheid en regen en lopen en lopen en lopen. Over blaren en praten en de duizend lopers van de KRO. Maar misschien ben ik morgen wel te moe om te typen, vijftig kilometer is niet heel weinig. En misschien zijn er wel weer mensen in de kamer.
Gisteren at ik bij M. M. heeft nooit haast, zo lijkt het. We hadden om zeven uur afgesproken, maar toen ik om tien voor zeven naar haar huis wilde fietsen, bedacht ik me dat ik bij haar nog nooit stipt op tijd ben geweest en wachtte tien minuten. De paprika's lagen ongesneden op het aanrecht.
M. heeft nooit last van stilte, zo lijkt het. Ze raakt niet in paniek als er niet wordt gesproken, maar wacht rustig af tot er wel weer wordt gesproken of bedenkt op haar gemak een onderwerp. Dan zingt op de achtergrond een mevrouw uit Nieuw-Zeeland, liedjes waar je rustig van wordt. Dan komt er vanzelf weer gespreksstof opborrelen.
Een paar jaar geleden liftte ik een weekend met M. We deden mee met een wedstrijd. Welk koppel het snelst in Parijs was. We hadden zo'n idee dat we niet zouden winnen. Finishen leek ons aan de andere kant ook weer niet een probleem. M. is blond, Frysk blond, dat doet mensen stoppen. Zo werkt dat met liften.
We verschenen te laat op de startplaats. Daar stonden we een uur in de regen. De eerste lift was een oude Eend met verrotte bodemplaat en pluizige krullenbol achter het stuur. Die bracht ons naar Arnhem. In Arnhem besloten we eerst maar eens een broodje te gaan eten.
Een aardige jongen in een grote glimmende Volvo bracht ons van het Velperplein naar de Belgische grens, naar een groot tankstation. M. deed heel aardig tegen twee brede rugbymannen en toen mochten we meerijden. Ze wilden ons wel even bij het hotel afzetten en ach, ze moesten maandag weer terug naar Den Haag, ze haalden ons dan ook wel weer op. Met M. komt alles uiteindelijk als vanzelf goed. We hadden de vierde snelste tijd. Van de twaalf koppels.
S. heeft een nieuwe vriend. Nog steeds. Het is nu al meer dan drie maanden gaande en ik denk dat het, voor je er erg in hebt, drie jaar gaande is. Hij is kneedbaar aan de oppervlakte, maar dieper dan dat tamelijk standvastig. Net wat S. nodig heeft.
"Een blauw-ecru gestreepte broek met een oranje T-shirt, Robert.. hoe verzin je het h??"
"Schandalig, S., eigenlijk doe je liefdadigheidswerk."
Ze mag hem aankleden, maar veel verder moet ze ook niet gaan. En dat is maar goed ook. Zonder weerstand te voelen kun je natuurlijk niet leunen. Volgens mij heb ik er gewoon een potentieel bruidspaar bij. Maar goed dat er geen bijgeloof is, dat me wellicht nog spijt doet krijgen van die laatste zin.
Ik pak een witte boterham en doe hem in het broodrooster. De waterkoker gaat aan. Ik knip wat bieslook uit de vensterbank. De boterham springt op uit het apparaat, ik smeer er roomkaas op, knip er bieslook over, schaaf er komkommer over. Ik hang een zakje rooibos in een mok, schenk er water over, doe er een lepel honing in. Ik ga weer aan tafel zitten en ga verder in de scriptie "Dari mana datang nona?".
Thuis studeren is leuk. (Als het lukt.)
Eens in de paar maanden duik ik in mijn muziekcollectie. Dan zoek ik en graaf ik. En vind. Wat ik vind, versleep ik. Van het lijstje van het album waar het op staat naar een nieuwe lijst, meest recentelijk "cd 6". Eerst is de lijst veel te lang, veertig nummers. Of dertig, maar vijftig kan ook.
Er mogen maar ongeveer twintig nummers overblijven. Dus kijk ik, wik ik, weeg en schrap. Uiteindelijk blijft er een lijst over met nummers die niet ontzettend met elkaar vloeken en verstuurd kunnen. Omdat ik ze mooi vind, of omdat ze me ergens aan doen denken. Iets leuks of iets treurigs.
Laatst nog. New Radicals, Elvis Costello, Toploader, Coldplay, Moloko, Joe Henry, Zero7, Air, Nancy Sinatra, Jacques Brel, Ani DiFranco, Sheryl Crow en Calexico wel. Onder andere. Elliot Smith, Justin Timberlake, White Stripes, Whitetown, Tanita Tikaram, Kruder & Dorfmeister en Janis Joplin vielen zomaar af. Dat is heus niet gemakkelijk.
Nu is er een lijst met twintig nummers, 1:18:29 uur, volgens iTunes. Dat past mooi op een cd. Dan is de helft van het werk gedaan. Een goed begin deze keer, al zeg ik het zelf. Nu moet ik beschrijven wat ik van elk van de twintig nummers vind en waarom ze op de cd staan.
A., de brief komt eraan. (Ik ben al bij nummer drie.)
We liepen van Groot Wetsinge naar Klein Wetsinge. Of het was andersom, dat zou ook kunnen. De laatste kilometers van de pakweg twintig van Groningen naar Sauwerd. Met zijn vieren, A., haar twee beagles en ik. We deden een rondje als oefening voor de Vierdaagse en ook gewoon, omdat het mooi weer was. Een avondrondje, vanaf vijf uur, vlak na de regen, dat roken we overal.
De Wetsinges komen na Garnwerd. Garnwerd, da's de molen, de kerk, een caf? en wat huizen op een terp langs het Reitdiep. Bescheiden nieuwbouw daarachter, oneindig veel weilanden eromheen. Het kan nooit meer dan duizend inwoners hebben. Het was feest in het dorp. We liepen langs een grote donkere tent, waaruit vaag muziek klonk. Een accordeonist zat op een klein podium.
Er was kermis. Een zweefmolen, een kinderdraaimolen, grijpmachines en een oliebollenkraam. A. trakteerde op een Berliner bol en we liepen nog maar eens langs de feesttent. Het miezerde inmiddels weer. De accordeonist bleek in gezelschap van een meneer met een banjo en iemand op drums.
Er stonden veel houten stoeltjes en sommigen waren ook bezet. Mannen op klompen, zoveelste generatie Garnwerders, ze wonen in de nieuwbouw. Keurige mevrouwen met kort haar, rood geverfd. Dat is import, maar ze bewonen ??n of twee oude huisjes op de terp, achttiende of negentiende eeuw.
A. vond dat we ons eigenlijk moesten bezatten op zo'n houten stoeltje. Dan konden we wel een taxi terug naar Groningen nemen. Ik zei, dat als dit Zuid-Frankrijk was, we meteen een fles wijn en twee glazen zouden bestellen en wel zouden zien. Maar met de realiteit op slechts tien kilometer door miezerregen, is het toch anders.
Dus werd het wandelen. Het Reitdiep over en meteen rechtsaf. Naar Groot Wetsinge en via Klein Wetsinge naar Sauwerd. Of dus andersom. Maar in ieder geval over het kerkepad. Ik vertelde A. dat dit pad vast al 150 jaar in gebruik is en of ze dat ??k bijzonder vond.
"Kijk eens op," en ze wees.
Ik zag de zon bijna onder, niet ver boven de weilanden en de oude huizen van een van de Wetsinges. Hij hing precies achter een dikke donkergrijze regenwolk met nu felverlichte randen. We zagen stralen achter de wolk vandaan komen, omhoog en omlaag. Alsof het licht regende op de weilanden. A. vroeg of ik d?t 'ook zo bijzonder' vond. De hemel leek opeens heel groot.
Het regende. Niet zo hard, maar wel constant. Ik fietste binnendoor naar huis, over het stuur gebogen en vloekend. Ik vloekte op de regen, maar bedoelde eigenlijk mezelf. Ik was moe en chagrijnig, de regen waaide in mijn gezicht en ik moest licht omhoog fietsen. Dan moet er ook gevloekt.
Ik kwam terug van het sporten. Het ging goed, het sporten, maar het voelde tamelijk lusteloos. Lusteloos nog nooit zo hard gelopen. Ik dacht aan niets in het bijzonder, op de fiets, maar bedoelde vast professor Frank en het instituut. Of eigenlijk uiteindelijk weer mezelf, want het leek me wat labiel om zo van slag te raken van iets waarop je toch al niet meer gerekend had.
Wat nu? Mogelijkheden lagen weer open. Een jaar Zweeds, zoals N. gaat doen, Nederlands studeren, niets studeren en op reis. De vurig gewenste poort naar journalistiek was onbehouwen dichtgesmeten. Maar terwijl ik al niet meer naar binnen hoefde. Eigenlijk.
Zweeds, Nederlands, op reis. Dat fietst prettiger, omhoog. Zweeds, Nederlands, op reis. Zweeds, Nederlands, op reis.. Op reis. Op reis! Geen idee waarnaartoe, wanneer of hoe, of ?berhaupt, maar op reis, die gedachte troostte. En fietste lekker, omhoog. Het regende. Niet zo hard, maar wel constant. Ik was bijna thuis, rechtop fietsend in een fris buitje, en al bijna op weg.
Ik schenk u een gedichtje. Op deze mooie dag. U kunt zeggen, nou nou, Robtheblob, wat pessimistisch. Het is eindelijk mooi weer, doe iets vrolijks ofzo. Over vlinders en bloemen. Maar ik stel voor dat u het opvat als.. geruststellend. Of anders gewoon geniet.
Het Einde
Wat geeft het, of wij hier of elders sterven?
Leven is altijd: naar de dood toe gaan.
De haardgebondenen en die verzwerven
Vinden ??n graf aan 't eind van hun bestaan.
J.C. Bloem
Professor Frank had de voetbalpoule niet gewonnen, zag ik op het papier aan de muur. Hij dacht dat Portugal Frankrijk zou verslaan in Lissabon. Maar nee, soms gaan dingen anders dan je denkt. Ik zat in de vergaderzaal te wachten tot ik werd opghaald voor Het Gesprek. Dat gold voor mij. Voor hem was het meer w??r zo'n gesprekje. Puur routine, net als aankleden.
Een week eerder werd ik uitgenodigd. Alsnog, nadat ik mijn ingestuurde pakket met een brief met motivatie, artikelen en cijferlijst al terug had gekregen. Door uitval toch nog een kans, door de achterdeur naar binnen wellicht. Alleen.. hoe voert zo'n Professor Frank een gesprek zonder het pakket?
Niet. Of niet echt gestructureerd. Ik kreeg de indruk dat Professor Frank me vergeten was. In plaats van de twee aangekondigde andere mensen, zat er slechts ??n iemand bij. Iemand anders. De vragen waren merkwaardig, met als dieptepunt: "Vind je dat je goed kunt schrijven?"
Frank, mijn beste, denk je nu werkelijk dat er mensen zijn die zich gaan inschrijven voor een opleiding journalistiek als ze zelf denken dat ze niet kunnen schrijven? Ik wil heus niet bij de Volkskrant werken, omdat ik dan gratis de krant krijg en al weet wat Martin Bril in zijn column schrijft voordat het gedrukt is. Natuurlijk denk ik dat ik goed kan schrijven!
En Frank, als je mensen helemaal uit Groningen laat komen voor een toelatingsgesprek, dan is het misschien handig je enigszins voor te bereiden. Verdiep je eens in de persoon die langskomt. En als je dat niet kunt, omdat je hem per ongeluk te vroeg hebt afgeschreven, vraag hem dan om weer iets mee te nemen. Echt, dat werkt, mensen voelen zich dan serieus genomen enzo. Vinden ze leuk. Oh, en nog iets. Aankleden mag dan wel puur routine zijn, dat betekent nog niet dat je af en toe niet (dank, Maarten) een schoon overhemd aan mag trekken.
I. nam me mee uit eten gisteren. Die belofte stond al erg lang, we
wisten beiden niet meer waarom het nu eigenlijk was. Waarschijnlijk
wilde ze vooral eens van het gevoel af dat dat altijd nog een keer
moest. Ze zei aan de telefoon vantevoren, dat ze ter voorbereiding de
weblog zou lezen. Tegenwoordig zeggen sommige vrienden en vriendinnen
dat.
We gingen naar een buurtcaf?, Eetcaf? De Buurvrouw. Ja ja ja..
Buurtcaf? De Buurvrouw. Ik ken iemand* die meteen zou roepen dat dat
heel calvinistisch is allemaal. Al zou ik zo niet weten hoe, het lijkt
te passen. Gewoon gezellig of doe maar gewoon, dat is al gek genoeg.
Zoiets.
Dus aten we gewoon. En praatten. En ik keek om me heen en zag dat er
iets teveel tafels waren in De Buurvrouw om het zomaar een kroegje op
de hoek te laten zijn. En de kaart was ook verdacht uitgebreid. Volgens
mij is De Buuv allang geen buurtkroeg meer, maar gewoon een goedlopend
eetcaf? met buurtkroegthema.
Maar ik laat me graag bedotten, het hoeft niet eens heel subtiel. Zo ga
ik soms ook met plezier naar de Burger King. Voor de ervaring van een
maaltijd, niet om echt te eten. De Buuv is volgens mij net zo
buurtkroeg als twaalf gehaktballetjes met patat en cranberriesaus bij
IKEA op Woonsdag, Zweeds is. Ook zoiets. De ervaring van het
buurtkroeggevoel was in ieder geval aangenaam. Met I.
*
zij
Ze zitten tegenover elkaar. Ge?nstalleerd voor een lange rit. Een weekendje weg, gok ik. Kop koffie op tafel, boterhamzakjes steken uit de tas. In het rek ligt een koffer. Met uittrekstang en wieltjes. Hij leest het Dagblad van het Noorden, zij de Flair. Ik vraag me af hoe lang ze al bij elkaar zijn. Plots kijkt ze op.
"Weet je?" maar dat is geen vraag, "Den Haag heeft het grootste aantal vierkante meters winkeloppervlak van Nederland."
Ze grijnst en als ik haar recht in de ogen zou kunnen kijken, zou ik ze vast zien twinkelen. Hij lacht iets te hard en kijkt haar recht in de ogen. Hij schat haar ernst in. Zij blijft twinkelen en grijnzen.
"Ja.. en..?" Aarzelend.
Hij lacht nog maar half. De tanden bloot, maar geen geluid.
"Gewoon.."
Ze duiken weer in Dagblad en Flair.
Net in het stadium van de gezamelijke rekening, gok ik.
Beste E.,
Ja, ik wil best graag de journalistiek in. Ik had me ingeschreven, maar werd twee keer afgewezen. Voor de eerste gespreksronde werden 25 van de 110 kandidaten uitgenodigd voor een gesprek, ik hoorde er niet bij. Dat er een kleine kans bestond dat ik alsnog zou worden uitgenodigd voor de tweede ronde, schreven ze. Jaja, dacht ik.
Vorige week kreeg ik mijn pakket terug. Het pakket met de artikelen en de brief met motivatie en een brief met opnieuw een afwijzing. In de brief stond dat het Professor Frank van Vree speet me mee te moeten delen dat ik ook in tweede instantie niet werd uitgenodigd. Tijdens de eerste ronde waren genoeg kandidaten gevonden, helaas enzo. Op de omslag van de map stonden een mysterieuze, omcirkelde "S" (Sociale Wetenschappen? Slecht? Sjonge, jammer dat we deze niet kunnen nemen zeg?) en een even mysterieuze, even omcirkelde "32" (32e van de 110? 32 punten van de 40? 32 punten van de 100?).
Gisteren werd ik om kwart voor acht gebeld. Professor Frank! Dat ze de mensen wat te vroeg hadden afgeschreven. Dat er twee mensen hadden afgezegd. Dat ze nieuwe gesprekken wilden met sommige mensen. Dat er weer geselecteerd ging worden. En! Dat ik ook van harte werd uitgenodigd! Jippie en jeuj!
"Ach, echt? Nou, ik ben blij, maar vooral ook erg verrast. Ik heb mijn agenda niet bij de hand, dus ik weet zo uit mijn hoofd niet of kan."
Alsof ik niet alles zou afzeggen voor dit gesprek.
"Misschien helpt het als ik zeg dat het gesprek pas om half vijf is?"
"Half vijf.. Dan kan ik wel."
"Prima, Robert. Tot dan."
"Dag en hartelijk dank."
Ha! Alsnog een kans. Goed he? Ik hoop dat ik vanaf volgende week op zoek ben naar een kamer in Amsterdam : )
Een lang-van-stof-groet,
Robert
|
|