Er belde een mevrouw, gisteren. Ze was van een uitzendbureau. Of ik vanochtend om negen uur een baantje wilde. Voor de rest van de week en daarna wellicht ook nog. Ik moet deze week een soort sinterklaas spelen. Mensen bellen me en ik mag de blijde boodschap verkondigen. Zonder addertjes onder het gras. Ik geloof dat ik het aanbod heb geaccepteerd. Ik laat me karig belonen.
Ik mocht de gamba's aanbakken, droog in de pan.
"Droog-in-de-pan. Is goed."
Ik denk dat ik wel wist wat ik zei.
Ondertussen snipperde A. de knoflook en sneed de prei in ringen. Ik
viste de gamba's aangebakken uit de pan. Er ging boter in dezelfde pan,
om op laag vuur langzaam te laten smelten. Zo gaat er niets van de
smaak verloren, zei A.
De knoflook werd zacht in de boter gefruit en de prei toegevoegd samen
met geraspte limoenschil en wat sap. Dat sudderde zo nog een tijdje
door. A. stoomde broccoli en maakte aardappelpuree met een soort
sinaasappelmosterd. Zelf gemaakt in Deventer, die mosterd, vertelde ze.
Ze hoefde alleen nog maar een sausje van cr?me fra?che, opnieuw
limoenschil en peper en zout. Voor over de broccoli.
Een fles wijn kon open. Een droge witte en A. vond hem vlak. Ik vond
dat vlak of niet vlak nu niet heel veel uitmaakte als de avond al
onomkeerbaar goed begonnen is met al die limoen en gamba en
sinaasappelmosterd. Maar dat zei ik niet. Ik rook, nam een teug en
proefde.
"Ja, best vlak," zei ik en ik denk dat ik wel wist wat ik zei.
Onverklaarbaar vrolijk. Dat was de diagnose vanochtend. Daar waar milde
neerslachtigheid altijd wel te begrijpen valt, herfstig wellicht, was
de ochtendlijke vrolijkheid dat niet. Plots onverklaarbaar huilen
schijnt te duiden op een sluimerende depressie. Misschien was ik wel
stiekem manisch. Jeuj, manisch.
Of misschien was ik extreem vatbaar voor de koffie. Misschien was het
de combinatie met het ei. Gestold wit, nog net zacht geel. Misschien
was het, omdat de kaiserbr?tchen me opeens deden denken aan een
vakantie in Zwitserland, lang geleden. Misschien deed dat er allemaal
niet toe.
Feit blijft, onveranderlijk vrolijk voor een dag. En blijdschap
straalt, gok ik. Het vismeisje op de markt deed een extra schepje
zalmsnippers in het papier, zomaar. Ze lachte me een prettig weekend
toe. En ik stapte de regen weer in.
A. is weer thuis. Ik moet de gamba's afleveren. En krijg ze dan weer
opgediend in knoflookbotersaus met limoen. En veel wijn. Ik neem zelf
ook nog maar een fles mee. Misschien was het dat vooruitzicht wel. Het
zou maar zo eens kunnen.
We stonden daar maar. Net niet roerloos voor mijn gevoel. Er moest muziek zijn, ergens, en caf?. Maar ik keek alleen maar in haar ogen, diepbruin, en hield haar vast. Ik zag alleen haar ogen en zelfs die niet echt. Ik dwaalde af, heel ver weg.
Ver weg in gevoel, niet in tijd. Het zou na?ef zijn te denken dat een onbezoedeld begin langer dan een paar dagen duurt. Ik zou al blij zijn met een paar uur. Maar nu ploeg ik eindeloos en moeizaam door gevoel om ons onbekommerd begin terug te vinden. Ik ben dan maanden terug in tijd, niet jaren. Het zou omgekeerd moeten zijn.
Zo weinig houdbaar zijn wij dus, dacht ik, en keek dwars door het diepbruine heen.
Je kijkt verdrietig, zei ze. Als ik had gehuild, had ze vast mijn tranen weggekust. Ze had gelijk, maar ik huilde niet - verdriet al voorbij.
Ik deed een stap terug, pakte haar handen, zwaaide ze naar buiten en weer naar binnen. Ik plakte een lach op mijn mond.
"Ik denk dat het wel goed komt."
Het ergste was, ze geloofde het.
Op de website van de Volkskrant las ik zojuist dat Andr? Hazes
overleden is. Het stond op de voorpagina. Ik klikte door en kwam bij
het hele bericht. Hartstilstand, 53 jaar geworden. Het was een tamelijk
zakelijk berichtje, niet zo lang. Eronder stond een advertentie. Dat
heet toch een banner? Een banner van Robeco. De beleggingsmaatschappij
voerde als slogan: Uw doel dichterbij.
De vraag die Robeco aan de lezer van het Andr? Hazes-berichtje stelde was: Eerder stoppen met werken?
Huu.. dat is wel heel wrange schoonheid.
We waren in Vera, B. en ik. Maar er speelde geen band. Voor het podium
was een groot doek gehangen en daarop speelde een film. We hadden eerst
wat te drinken gehaald. Leeuw bier in bruine flesjes. We zaten op
houten stoelen zonder kussens, de zaal rook nog een beetje naar
poppodium. Verschaald bier en sigaretten, denk ik, maar ik weet niet
precies wat "verschaald" betekent.
Lichter speelt in
Slubice en Frankfurt am Oder. Op de Pools-Duitse grens, toen dat ook de
buitengrens van de Europese Unie was. Het is een tragi-komisch verhaal
over kleine en grote drama's. Smokkelelaars, taxichauffeurs, gestrande
economische vluchtelingen, vals vertalende en hoererende tolken, ze
hebben het allen even zwaar. De film heeft ongeveer acht verhaallijnen
en ze zijn allemaal treurig.
Acht verhaallijnen, die godzijdank niet allemaal door elkaar lopen.
Maar elkaar soms wel heel subtiel raken. Mooi, als je op de achtergrond
sigaretten gesmokkeld ziet worden als een tolk probeert iemand over de
grens te helpen. Hoe verder je in de film raakt, hoe cynischer en
harder de verhalen worden. Aan het eind ben je blij dat je niet in
Polen woont.
We zaten in Vera, op houten stoelen in een zaal die rook naar het bier
van zaterdag en sigaretten. We keken naar een film over modderige Polen
en gladde Duitsers. We dronken Leeuw uit bruine flesjes. Soms past
alles precies bij elkaar. Ik geef gul vijf van de vijf sterren.
En misschien gaan we ooit nog eens weg. Dat we gewoon wat kleren
inpakken en nog wat dingen. En denken dat we alles wel hebben. Zo'n
beetje. Zullen we dat dan gewoon niet nakijken, vier keer en daar bijna
ruzie om krijgen?
En dat we dan ergens naartoe gaan, echt, het maakt me niet uit waar
naartoe. Met de boot of met de bus of desnoods liftend. Maar in ieder
geval ook met de trein. Want ik houd van de trein. Kom, we nemen de
trein, 's avonds, en kletteren de nacht door. Slapen slecht, maar
zeuren daar niet over.
En dat we na een paar uur van hobbelend wat dommelen van de krappe
bedden stappen, de coup?deuren openschuiven en in het gangpad aan een
open raam eindeloos praten. Leunend op onze armen. Je kunt dan alles
zeggen, want het verwaait toch in de wind en het donker van de nacht.
En dat we dan, niet lang na het licht begint te worden, ergens
aankomen, waar dan ook. Aankomen, alleen maar om ergens aan te komen.
Om een nieuwe stad te ruiken, nieuwe gebouwen te zien. 's Ochtends
aankomen, verwaaid, maar verwachtingsvol, en rondlopen tot we het
eerste caf? vinden dat ontbijt serveert.
Dat zou mooi zijn.
We deden alles heel voorzichtig gistermiddag. Lichtheid, omdat het
anders te zwaar op de kater zou drukken. We liepen een rondje door de
binnenstad, M. en ik. Belandden uiteindelijk bij de Brasserie,
met zijn vieren. 't Was een soort zwaan-kleef-aan.
We dronken koffie en aten niets. Iedereen raakte weer op de hoogte van
elkaar en dutte langzaam wat in. Dus we deden nog een rondje door de
stad en landden op het terras van De Souffleur, naast de
Stadsschouwburg. Voor de laatste zonnestralen van de middag.
En zo zat niemand van ons de hele zondagmiddag op de bank. En werden
afspraken gemaakt, om te eten, om naar de dinsdagavondfilm in Vera te
gaan, om op vakantie te gaan. Het leverde prettige vooruitzichten op.
Dat is nog wel het leukste van luieren in het caf? op zondagmiddag.
Sneakpreview in bioscoop 't Swaentje in Meppel. Kijkt u nog eens naar
de vorige zin. Het vloekt, hoe je er ook naar kijkt. Net als het
kiezelsteenbetonnen parkeerdek vlak naast de oude kerk. Bovenop
winkelcentrum de Swaenenborgh, dat aan het historische marktplein ligt.
De badkamerwitte tegels en kunststof kozijnen passen misschien niet
helemaal bij de bruine klinkers op het plein.
Maar vooruit, de sneak. Het werd
Dodgeball,
een intens slechte film over trefbal. Inderdaad, hetzelfde trefbal dat
u vroeger op de basisschool weleens speelde. Heel veel heel flauwe
grappen. Voorspelbaar en slecht geacteerd. Een overbodige film, E. zei
na afloop dat de meeste films met Ben Stiller overbodig zijn.
We bleven tot het eind zitten. Dat was meer beleefdheid dan de film
verdiende. E. en ik kreunden vooral vaak "Nee.." als er alw??r een grap
uitkwam die al vijf minuten in de lucht hing. Het allerergste was de
mevrouw achter ons. Ze hinnikte om alles. En wel volgens het principe
'hoe slechter de grap, hoe harder de hinnik'.
Het ging ongeveer als volgt.
Ben Stiller krijgt heel hard een bal tegen zijn hoofd gegooid.
De mevrouw hinnikt.
Ben Stiller gooit nog harder een bal terug, recht in het kruis van zijn tegenstander.
De mevrouw hinnikt nog harder.
Ben Stiller lacht zijn tegenstander uit, let dus niet op, krijgt twee ballen tegen zijn hoofd en valt knock-out op de vloer.
We kunnen de mevrouw inmiddels wegdragen.
(Ben Stiller droeg overigens gedurende de hele film een quasi-jaren
zeventig plaksnor om zijn mond. Ha. Ha. Ha. Die Ben Stiller.)
Een half sterretje van de vijf, voor het geval er ooit een film komt die n?g slechter is.
Gaat u alstublieft niet naar Dodgeball.
Het meisje was klaar voor de herfst. Ze droeg een donkerblauwe
spijkerbroek. Cowboylaarzen met een punt en een hak, van donkerbruin
leer. Een groengrijzig ribjasje en een felgroene katoenen sjaal. Haar
dik donker haar viel in pieken tot in haar nek. Ze had een pony.
Ze zat naast me, aan de andere kant van het gangpad. Ik zag haar
silhouet slechts, want buiten scheen de zon nazomers. Een mooi
silhouet. Het warrige haar, een elegante neus en volle lippen. Ze las
De eetclub van Saskia Noort.
Achter me hoorde ik een stel. Hij klonk of hij constant net tegen een
hoest aanzat - nasaal en slecht verstaanbaar. Hij klonk traag, omdat
hij steeds de medeklinkers iets te lang rekte. Zij had een tamelijk
heldere stem en vroeg steeds: "Wat zeg je?"
In Beilen stapte een mevrouw in. Eind veertig, kort grijs haar en een
klein brilletje. Ze ging voor me zitten, trok haar jas uit, pakte een
krant. Het NRC staat goed bij een blauwe Gaastra-jas. Het was niet zo
dat je kon missen dat ze heus een vlotte vrouw is, modieus en in
de bloei van haar leven.
A. belde en vroeg waar ik was. In de trein, zei ik, en ze vroeg of ze
een stukje mee mocht rijden. Dat mocht, maar de verbinding viel weg.
Hier kan het alsnog.
Ze zijn weg en ik wens ze veel plezier. Ik klikte rond en mijmerde over iets soortgelijks.
"Tussen de lucht van half verbrande benzine en diesel ruik je afwisselend allerlei kruiden, kip, halfdroge urine.."
Ik zit in de UB, ruik alleen mijn buurvrouw die van wierook houdt. Het meisje dat net langs kwam ruisen in een iets te wijde roze broek en iets te grote wolk parfum.
De 'Verslagen en foto's' zijn nog aardig actueel. Klik 's.. ah, toe? *klik*
Een hart breekt niet, denk ik. Het verzakt, vermoed ik. Zomaar,
onaangekondigd. En er is niets meeslepends aan. Het is meer minuscule
tragiek, nog niet eens klein drama.
Balancerend op de rand van waken en slapen, dan kan het. Zachtjes de
ogen sluitend, zie ik haar opeens. Door mijn leden heen staar ik
haar recht in de ogen. Ik droom haar niets veranderd. Hetzelfde lachje
permanent om haar lippen, net niet spottend.
Dezelfde wenkbrauwen met het merkwaardige hoekje aan de buitenkant.
Dezelfde onbestemde kleur ogen. Dezelfde neus, hetzelfde haar. Verloren
gewaande, vergeten details komen boven. Zomaar, onaangekondigd.
Het plekje op haar duim, aan de binnenkant, voorbij het laatste kootje.
Dat is de herinnering die het hart definitief doet zinken. Iets dieper,
moeilijker te bereiken. En iets wankeler, omdat het fundament eronder
langzaam weer wat afbrokkelde.
Else was online. Vandaag, zonet. Else ontmoette ik tijdens een cursus
Pools in Krakow. We zaten twee weken in hetzelfde klasje, met nog zes
anderen. Ik zou niet meer weten hoe die heetten. Er was nog een
Oostenrijker en er waren nog wat Duitsers.
Else en ik leerden elkaar beter kennen in de tweede week van de cursus.
Tijdens de eerste week ergerde ik me vooral aan haar. Ze was met
afstand de slechtste leerling van het klasje. Ze had geen taalgevoel,
wat erg lastig is bij een taal uit een andere familie. Ze is zelf Noors.
Ik weet niet meer hoe het gekomen is, maar in de tweede week van de
cursus lunchten we altijd samen. Else en ik en een Engelse mevrouw en
nog een groepje. Van dat groepje wisselde de samenstelling steeds. Else
en ik en het groepje lunchten en deden huiswerk op een terras in de
zon. Meestal duurde dat niet langer dan tot drie uur.
Else en ik dronken vaak samen. We dronken in de tweede week van de
cursus alsof het de laatste van ons leven was. We hobbelden van kroeg
naar kroeg en werkten hele lijsten wodkasoorten af. Aan het eind van de
cursus sprak ik slechter Pools dan ervoor.
Na de cursus vertrok Else naar Warschau. Ik bezocht haar een paar
weekenden en we voerden de regel in dat we voor het avondeten maar niet
aan de wodka moesten. Het was een merkwaardig soort gezelligheid. En
minder oppervlakkig dan u nu zou kunnen vermoeden. We voerden heuse
Gesprekken voor en tijdens het eten.
Else was online. Vandaag, zonet. Voor het eerst sinds twee jaar. Ik ben
gestopt met mijn studie, vertelde ik. Zij blijkt opeens zwanger en
getrouwd. Per ongeluk, tijdens een studieverblijf in Nigeria. Ik nam
aan dat ze het over de zwangerschap had.
"I think I shocked all of my friends and family when I came home and told them I had gotten married."
Maar ze klonk zelf misschien nog wel het meest beduusd.
Zie je, ik moet helemaal geen CSI kijken.
De gado-gado ging niet door, vrijdag. We waren allebei veel te laat
klaar met de dag. Het werden tortilla's. Ook lekker en veel sneller
klaar. I.'s dag was niet leuk, ze heeft het onplezierig druk. We hadden
geen tijd om daarover te praten, we moesten nog boodschappen doen.
B. en 'zijn A.' Ze vertelden over hun nieuwe huis in de
plattelandskern. De eerste buurtbarbecue had al plaatsgevonden. De
straat van B. en A. had een prijs gewonnen voor 'mooiste
straatversiering' tijdens een dorpsfeest. De buurtvereniging mocht voor
tweehonderd euro barbecuevlees bestellen bij de lokale slagerij. Het
werd een leuk feestje, B. gaat nu bij de tennisvereniging.
We praatten over Expeditie Robinson. Dat was mooi, mijn
televisie-uurtje begon meteen al vruchten af te werpen. Hoewel ik niet
kon meepraten over de vorige seizoenen, kon ik wel leuk meeroddelen
over Patrick en Ronald en Klaartje en die ene dikke Fries met die baard
ongelooflijk dat hij directeur is geweest maar ja zakenman kan
natuurlijk van alles inhouden het hoeft niet pers? wat voor te stellen
ofzo.
Om half een deden I. en ik een restant afwas en zaten nog wat na. We
praatten wat en de intimiteit die normaal al veel eerder over het
gesprek valt, kwam alsnog. Het duurde niet heel lang. Ik fietste loom
de nacht weer in.
S. had zijn nieuwe auto voor de deur van mijn ouderlijk huis geparkeerd. Ik typte snel mijn stukje af en liep naar beneden.
"Twee punt acht vee zes."
"Wat een ordinair ding!"
"Ja, geweldig h??"
"Fantastisch.."
Ik was onder de indruk.
S. is tamelijk impulsief. Vooral als hij consumeert. Maar dit was een
absoluut record. Hij reed in een oerdegelijke Duitse middenklasse auto.
Hij brak met zijn vriendin. Hij kocht een nieuwe auto. Herstel, hij
kocht dit ding.
Het ding is een Audi 80 Cabrio uit 1993, paars. De normale bumpers zijn
vervangen door bumpers met extra luchtinlaatroosters. Dat is vast niet
de offici?le term, luchtinlaatroosters. Er lezen hier vooral vrouwen,
volgens mij, maar toch moet vermeld dat er onder de motorkap een 2.8
liter V6 ligt. Het zei mij niet zoveel toen ik met S. een rondje om het
ding liep.
Een proefritje dan maar. We reden eerst naar de benzinepomp. Er moest voor zeventig euro in de tank.
"Hoeveel rijdt 'ie dan?"
"Straks ??n op vijf, normaal ??n op tien."
In de auto van S. moet best vaak voor zeventig euro benzine, denk ik.
Van de benzinepomp reden we naar de snelweg. S. liet zien wat het
precies inhoudt, 2.8 liter V6. Welnu, 2.8 V6 betekent dat je het gevoel
hebt dat je in een vliegtuig zit en wegstuift om op te stijgen, terwijl
je in werkelijkheid de snelweg opdraait. Hoofdsteunen zijn niet alleen
handig om tegenaan te slapen. Het betekent ook dat je zomaar ontzettend
hard rijdt op de snelweg. Tweehonderd. Gelukkig was het heel rustig.
Dat betekent 2.8 V6 allemaal en het is geweldig! Geweldige onzin ook.
Tachtig kilometer per uur, in de tweede versnelling. Je hebt er
helemaal niets aan. Maar lekker is het wel. S. parkeerde het ordinaire
ding weer bij mijn ouders voor de deur. We stapten uit.
"Wat een belachelijke auto, S."
"Ja, geweldig h??"
"Fantastisch!"
Ik was onder de indruk.
Kill Bill door Quentin Tarantino. Het schijnt dat de film zo lang
werd, dat hij in twee delen moest. Ik keek op de hoes van Kill Bill 2
en las het verhaal. Uma Thurman is huurmoordenaar en wordt door haar
baas door het hoofd geschoten. Maar ze leeft nog en komt na vierenhalf
jaar coma terug. Om wraak te nemen op haar baas en iedereen die hem
meehielp.
Vervang Uma door een of andere Jean-Claude en je hebt Wrong Bet, Die
Hard 1, 2 of 3 of Rumble in the Bronx. Maar met Quentin werkt het toch
anders. Blijkbaar. Gisteren keek ik met E. deel 1&2 achter elkaar.
Excessief geweld, bloedfonteinen en veel foute muziek. En toch bleef
het boeien.
En weet u, ik zou niet weten waarom. Of ik heb gewoon geen zin om
daarover na te denken. Dat kan ook nog. Sterker nog, dat zal het wel
zijn. Ik ben namelijk intens MOE. En sla de rest van het stukje gewoon
over, zeg dat ik vijf van de vijf sterren geef (mee eens, Ingrid?),
knip het licht uit en ga slapen.
Dat was een beetje een rare wending, zonet. Lui, zou je kunnen zeggen.
Maar ik ben echt moe. En S. komt net op bezoek. In een nieuwe auto, een
afzichtelijke paarse Audi Cabrio. Ik ga hem eerst maar eens vragen of
hij zelf weet hoe lelijk het ding is.
Soms woon ik een avond samen. Zoals vrijdag, als B. en 'zijn A.' komen eten. Ze eten bij I. en ik ben ook uitgenodigd. I. en ik spelen dan gastvrouw en gastheer. Als je niet zou weten hoe het echt zit, zou ergens in de avond een gedachte als "ach, wat een leuk stel" opkomen. Ik weet het zeker. U zou er bij moeten zijn.
Ik zag I. gisteravond. Voor het laatste ijsje van het jaar bij ijssalon Fiorin. En koffie bij Der Witz. Der Witz, dat is een heel smal kroegje aan de Grote Markt, waar je gewoon maar wat zit. Veel bruin, maar niet te donker. We zaten vlak naast de deur, in een nisje van anderhalf vierkante meter. Ons tafeltje was niet veel groter dan, om in uw termen te blijven, twee flinke notebooks.
I. vertelde over haar reisplannen voor het komende seizoen. Ik vertelde over mijn verhuisplannen, I. vond Den Haag ver weg. We dronken nog wat. Op vooruitgang, al is het met ??n stap terug en twee vooruit. We bespraken vrijdag, wat te eten. Gado-gado wordt het. Lekker met lontong, leek me, maar het zei I. niets, lontong. Namu-namu en rempejeh vooraf zal dan ook wel nieuw worden.
Lontong, dat moet een paar uur afkoelen voor je het kunt snijden. Namu-namu moet in de oven. I. gaf me een sleutel van haar huis. Dan kan ik haar vrijdag meteen vragen hoe het was op het werk als ze thuiskomt. We rekenden af en staken de Grote Markt over. De barman keek ons vast glimlachend na.
De pipetten vlogen me om de oren. En constant petrischaaltjes en reageerbuisjes in beeld. Veel gebazel met latijnse termen over dingen waar ik niets van begreep en ook niets mee had. Dat was dan de hippe nerd met piekhaar die wel even uit zou zoeken hoe het allemaal zat.
Het underscoremeisje vertelde me dat het een soort Baantjer was, maar dan technisch. Ik vond het meer een soort Medisch Centrum West. Gekruisd met Baantjer en sneller gemonteerd.
Iets met dertien juryleden en er was eentje vermoord. Door een bij, zo bleek. En iets met een vrouw die was vermoord en verbrand. Door haar man, maar later toch weer door haar zus. Het enige dat ik me steeds afvroeg, was of de hippe nerd met het piekhaar niet eens een haarnetje zou moeten gaan dragen in het lab.
Volgende week zondag, even na achten, Expeditie Robinson. Ik ga weer kijken.
U leest hier nooit iets over televisieprogramma's. Dat is niet heel raar. Ik heb wel een televisie, maar ik kijk er niet zo vaak naar. Op momenten dat je zoiets typt, vraag je je af wat je dan met je tijd doet. Het is niet zo dat ik Ulysses al drie keer gelezen heb. Je tijd verdrijven kan blijkbaar even effectief zonder televisie, als met.
Misschien dat ik meer tijd verdoe achter de computer. Dat ik meer onzinnig rondsurf, meer chat. Gistermiddag zat ik achter mijn computer. Ik hing rond op MSN en bedacht net, dat ik beter in de zon kon gaan zitten. Het zou tenslotte maar zo de laatste mooie dag van het jaar kunnen zijn, volgens sommigen.
Ik wilde gaan, maar klikte eerst op een onbekende naam in mijn lijst met contacten. Soms dringen er mensen tot mijn lijst door, die ik verder niet ken. Meestal heten die mARmAriS iS DA bEst!!!! en hebben ze e-mailadressen als kolibrie86 @ hotmail.com. Deze onbekende had gewoon een voornaam en een hotmailadres dat bestond uit haar voor- en achternaam met daartussen een underscore.
Het underscoremeisje wist ook niet hoe we op elkaars lijst kwamen, maar was blij dat iemand zich eens voorstelde. Ze studeerde, ook in Groningen, wilde eigenlijk ook wel 'iets met journalistiek ofzo'. En ze woonde in het pakhuis naast dat van mij - met die gekleurde kozijnen, maar dan aan de achterkant. Ze keek ook niet uit op de haven, wel zo'n beetje op mijn voordeur.
Ze keek veel films en ook graag televisie. Op haar kamer heeft ze een poster van Yoda, dat is haar held. Dus ik vroeg haar of ze wilde uitleggen hoe het zat met de delen van Star Wars. Eerst vier, vijf en zes. En nu een en twee. Drie moet nog. Zo zit het ongeveer. En wat CSI is. Dat is een soort Baantjer, maar dan technisch.
Ze was ook bijzonder enthousiast over Expeditie Robinson. Ik moest beslist de opening van de nieuwe serie kijken. Want achteraf roddelen over de deelnemers schept een band. Ik beloofde dat ik dat zou doen en logde uit. Ik moest nog eten afhalen voor Robinson begon.
Ik keek gisteren, even na achten en ben nu officieel fan. Vooral van Klaar, Patrick vind ik naar.
"Ik ben teleurgesteld. Ik dacht dat we op expeditie gingen. Maar het is echt net een kantoor. Alleen de achtergrond is anders. En de kantine is dicht."
Klaar is stoer.
Volgende week kijk ik weer. Even na achten, Net5. Dan hoop ik dat ik er daarna met het underscoremeisje over kan praten. Dat schept een band. Ik ga minder rondklikken en meer televisiekijken. Want ik heb een televisie het is niet zo dat ik Ulysses ooit eens uit ga lezen.
Het leek alsof het gewoon later zomer was. De regen hield wat lang aan
dit jaar, dus de zon schijnt ook wat langer door. En dat trekken we dan
wel weer recht in de winter, want het verschil met de herfst is toch
niet echt merkbaar. Tegenwoordig.
Maar nee, het aftellen is begonnen. De nazomer. In de nazomer moet je
blij zijn met iedere mooie dag die je nog krijgt. Maar ik vind het nog
zomer. Ik heb bedacht dat dit weer nog minstens een week aanhoudt.
Kijk, ik word al na?ever, M.
I. denkt daar heel anders over. Ze belde, vanuit de tuin van haar
ouders. Dat ze zo lang mogelijk in de tuin wilde blijven liggen
vandaag, pas vanavond naar Groningen gaat. Want I. is klaar voor de
herfst.
"Het is mooi weer vandaag. Het kan de laatste mooie dag van het jaar zijn."
Maar zo september vind ik het nu ook weer niet.
M. zei: "Word eens wat na?ever, Robert."
Het kwam niet uit het niets, maar wel onverwacht. Het werd opeens gezegd. Zomaar, ondoordacht.
Ik dacht: het is niet dat ze niet in mijn hart past. In mijn hoofd, daar is het wat krap. Maar misschien is dat slechts een excuus om te verdoezelen wat ik eigenlijk wel weet. Misschien kan ik geen afscheid nemen van aandacht die iemand me eens als 'vragend' uitlegde. Denk ik te ver vooruit. Voor anderen bovendien. Laat ik niemand toe. Of misschien zoek ik simpelweg iets dat niet te vinden is. Dat dacht ik.
En daar zit het werkelijke probleem, volgens M. Ik denk teveel. Maar zo zei hij dat niet. Hij zei dat ik gewoon wat na?ever moet worden. Ik vroeg me af of hij zelf wel wist hoe mooi dat klonk.
M. zei: "Word eens wat na?ever, Robert. Ik probeer het ook te zijn en het bevalt. Meestal."
M. bedoelde onbevangen, maar dat klinkt veel minder mooi. Ik zei dat het meestal toch andersom gaat, het proces. Dat je al na?ef bent en het juist minder wordt. Ik antwoordde niet meteen, want ik bedacht eerst de misschienen en glimlachte om de onbedoelde paradox.
M. zei: "Ja ja ja. Is goed. Maar denk er eens over na."
Maar hij bedoelde dat ik dat juist niet moest doen. Dat ik het juist moet doen. Ik ben niet goed in dingen doen. Niet zomaar, ondoordacht.
"Het heerst," zei M.
Ik lag op de bank. Onder een dekbed, maar ik had het nog steeds koud. Hoofdpijn, spierpijn, vage misselijkheid en om negen uur nog geen zin in avondeten. Je hoeft geen dokter te zijn om griep te constateren.
M. was zijn sleutels kwijt, de hele bos was weg. Hij kon niet meer met de fiets, kon zijn kamer ook niet in. Vannacht logeerde hij bij mij en we praatten wat over Lysettes en detacheringsbureau's. Ambitie en het gebrek daaraan. Ik geloof dat hij vanochtend de woningbouwvereniging zover heeft gekregen dat ze zijn deur openbreken. Voor 97 euro, alsof het een hels karwei is.
Ik ga zo nog maar even op de bank liggen. Vooral zonder dekbed, want nu is het weer heel warm. Nog heel even op de bank en dan naar de faculteit voor Dingen en Zaken. Dat moet nog voor het weekend, daarna ga ik drie dagen slapen. U ook een aangenaam weekend.
De mevrouw van een gespecialiseerd uitzendbureau zat tegenover me aan een bureau.
"Ik ben je kwijt."
"Het ziet er anders best georganiseerd uit. Stapels enzo."
Ik kreeg eerst koffie, alleen melk. We praatten nog wat over het gespecialiseerde uizendbureau. Toen was ik weer terecht. Ik hing aan het prikbord.
Ik ben mijn CV de laatste dagen. Dat stelt niet bijster veel voor. Tenminste, niet als je niet weet wat je wilt, net bent gestopt met je studie en eigenlijk gewoon alles wel wilt doen. Of nee, tot alles bereid bent dat je op een niet al te onaangename manier financi?le ruimte en een dagelijks ritme biedt om rustig na te denken. Over wat ik dan wel wil, wat ik allemaal niet wil. En hoe ik dat ga bereiken.
Ik ben mijn CV de laatste dagen. Dat leidt soms tot leuke vragen. Herinnert aan prettig hectische perioden. Wat het belangrijkste is dat je leert van vijf maanden studeren Krakow, bijvoorbeeld.
Ik zei: "Dat ik tien dagen alleen kan zijn. Tien hele dagen zonder een gesprek met vrienden of familie. Alleen maar conversatie met de baliemeisjes van McDonald's en obers in restaurants. In beperkt Pools. Heb je dat weleens geprobeerd Liesbeth?"
Uitzendbureaumevrouwen heten allemaal Liesbeth of Lysette. Ze zijn nog nooit tien dagen alleen geweest en kunnen zich er volgens mij ook niets bij voorstellen. Ik zeg er dan bij dat het misschien niet een heel academische bevinding is, weten dat je tien dagen alleen kunt zijn. Maar dat 1500 euro collegegeld niettemin goed besteed is aan zo'n levensles.
Jaja, knikken ze dan enthousiast, ik heb daar helemaal gelijk in. Ik wist tevoren al dat ze er een aantekening van zou maken. Ik heb bij iedere bijzonder punt op mijn CV zo langzamerhand wel een leuk verhaaltje klaar. Ik kon niet lezen of er stond dat ik "heel zelfstandig" ben of "zonderling", maar Lysettes en Liesbeths gebruiken nooit woorden als zonderling. Ik maak me geen zorgen. Niet daarover.
De Heilige Maagd Maria beschermt de bevolking van het bergstadje Biar tegen rampspoed. Daar hoeft verder niet over nagedacht te worden. Mensen verliezen eerder hun geloof in god dan het geloof in de beschermende krachten van Maria. Er was een openluchtmis op het pleintje voor de Casa Cultural. Achter de pastoor stond het beeld van Maria. Ze was opgepoetst en droeg een nieuwe kroon. Ze zat in een soort draagstoel met vreselijk kitscherige lampen. Veel rood fluweel en barokke krullen bladgoud.
Het was druk op het pleintje. Alles wat ook maar enigszins mobiel was, was uitgelopen. Ouderen hadden de wandelstok opgepoetst en waren naar het pleintje gekomen. Zowel voor de mis, als om leuk weer wat bij te kletsen. De ouderen achteraan op het pleintje misschien alleen maar om bij te kletsen.
Ik begreep niets van de mis, maar dacht wel vaak het woord integracion te horen. Mijn gedachten dwaalden af. Dat integracion had waarschijnlijk maar weinig te maken met allochtonen. In Biar wonen alleen Spaanse Spanjaarden. Ik voelde het einde van de dienst niet aankomen, maar wist dat het zover was toen iedereen elkaar begon te zoenen en handen ging schudden. Ik bleek mijn buren vrede toe te wensen. En zij mij.
Pilar vertelde na afloop van de mis dat het dit jaar honderdvijftig jaar geleden is dat de pest bedwongen werd. Het leek me zo kort geleden, maar ik bedacht me dat Spanje dertig jaar geleden nog een ontwikkelingsland was. Toen geloofde ik haar. Het was Maria toen niet gelukt de bevolking te beschermen. Dat denk ik dan meteen. Maar zo moet je dat niet zien, volgens Pilar. Dankzij Maria verdween de pest tenminste weer. En als je zo redeneert is het ook wel logisch dat je haar beeld oppoetst en door de straten draagt.
|
|