Of: De kalende Pakistaanse man die het probeert aan te leggen met de dikke West-Afrikaanse vrouw.
Hij kijkt, twee banken voor me, vanaf de raamkant, zelfverzekerd, maar tegen haar op. De vrouw zit naast hem en een beetje opzij. Zij kijkt glimlachend op hem neer, maar geniet van de aandacht. Hij doet zijn stinkende best, lacht voortdurend zo hartelijk als hij kan. Ik hoop dat ze een spleetje tussen haar voortanden heeft. Het zou haar sieren. Als ze recht zou gaan zitten, zou hij voorgoed verdwijnen in de spleet tussen de bank en de zijwand van de bus. Haar mamabips hangt een beetje in het gangpad.
Het idee eeuwig te verdwijnen lijkt de Pakistaanse man allerminst te beangstigen. Sterker nog. En verder wil ik niet denken. Verder hoef ik niet te denken, want ik mag over op de trein. Waar de mondaine Engelsman zal zitten met The Times op schoot. Waar de jongen met het onvoorstelbaar lichtblauwe ribcolbert tekeer zal gaan tegen zijn vriendin. Maar dat weet ik dan nog niet. In de regiobus.
Die Times ben ik tegengekomen, gister, in de Intercity van Amsterdam naar Vlissingen.
De mondaine Engelsman was er niet meer bij.