¶ §Praten
Jij zegt dat we een stel van achttien lijken. Ik denk hardop dat het
vanzelf wel over zal gaan, dat dartele. Je kijkt me vermoeid aan. Je
bedoelde het letterlijk, we zien er allebei jonger uit dan we zijn.
"Oh.. ja, dat ook" en stilte valt. Gelukkig lopen we.
Wij lopen graag
Veelvuldig en lang
Slechts als we
samen wandelen
komen woorden
vanzelf weer terug
We praten eerst
net zo lang
tot er genoeg is
om over te zwijgen
En even is er
niets meer
dan het ritme
van onze voeten
Terwijl de stilte
voor ons uit stapt
Mijn passen worden iets kleiner, jij doet er wat bij en we lopen
synchroon. We denken langs elkaar heen, lopen naast elkaar. We laten de
stilte vanzelf weer achter. Soms lijkt het zo gemakkelijk. Meestal wijs
ik
eerst, voor ik hem verbreek. Ik vertel en laat je meekijken naar mijn
stad. Jij luistert, want je laat je graag leiden door iemands
landschap.
Zoals toen, toen we liepen naar een dorp verderop. Ik vertelde en wees
wat ik wèl zag in een vlak, groen land. Oude dijken, hereboeren, graan
en
Fré. Je gebrek aan kennis verbaasde. Je wist niet wat een terp was en ik vroeg me af of het geveinsd was. Onderwijl legde ik uit.
Als we lopen, praten we. Maar eigenlijk zwijgen we in alle talen. Als
we onderweg zijn, laat ik je mijn landschap zien en waarschijnlijk zien
we allebei hetzelfde. Ik word nooit jouw voorland.
¶ §Denken
Met alle plannen van tafel, hoef je niet meer te denken. Althans, niet
meer aan wat het plan is. Afgezien daarvan, zal ik me moe denken, een
weekend lang. Geestelijke sprintjes als er een Onderwerp voorbij komt.
Het zijn er maar weinig, maar je raakt er in verstrikt voor je er erg
in hebt. Hoe harder je je best doet, hoe benauwder je het krijgt.
Tussendoor zal ik op adem komen. Dat is aangenaam, lief, leuk. Het
compenseert waarschijnlijk nog net. Ik hoop dat het nog compenseert,
maar twijfel aan het eind van ieder samenzijn. Als we afscheid nemen
denk ik steeds dat we absoluut moeten ophouden, maar als je dan
terugkomt zoen je het weer weg. Als het op denken aankomt, heb ik
conditie opgebouwd. Omdat ik al een tijdje bij je ben.
We denken teveel. Dat moet haast wel. In boeken en in films wordt
helemaal niet zoveel gedacht over 'ons', als wij doen. In boeken en in
films gaan dat soort dingen altijd vanzelf. Dan zou ik jou liefhebben
en jij mij ook. Dan zouden we ruzie maken, net als in het echt, maar
dan zou vantevoren vaststaan, dat we aan het eind gelukkig zijn.
Ik loop alvast wat warm en peins, terwijl jij me vraagt of ik
die film nog heb kunnen huren. Over uitwisselingsstudenten, in Barcelona.
"Eigenlijk kan hij alleen maar tegenvallen hè?"
Jij lacht een ja en ik lach terug. Natuurlijk valt het tegen, want het zal nooit precies zijn, zoals wij elkaar ontmoetten.
De plannen.. De plannen. Ik weet zeker dat ik ze weer zal oppakken en
zal piekeren. Maar niet nu. Nu hoef ik alleen maar te genieten van de
stilte vooraf. We laten de besmeurde eenden achter. De leegte nodigt
uit en we lopen de singel op. Ik pak je hand. We lijken net echt
verliefd.
¶ §Plannen
Koel en afstandelijk. Vriendelijk en voorkomend. Hoe dan ook beslist,
streng en rechtvaardig. Dat is het strijdplan. Want we zijn uit elkaar
gevallen en kunnen niet meer gelijmd.
Uit het tweede treinstel, stapt ze. Ze kijkt zoekend om zich heen,
vindt mijn antwoordende blik niet en begint dan maar te lopen. Kleine
kordate pasjes, enigszins onvast. Op vijftien meter genaderd, ziet ze
me dan toch. Ze glimlacht kort en kijkt even weg, naar de grond, de
pasjes houden heel even in.
Me niet meer laten meeslepen door haar dalen, die in mijn ogen eerder
gapende afgronden lijken. En ook niet meer mee over de immens hoge
pieken, duizelingwekkende hoogten. En dat al helemaal niet binnen uren,
eerder dan dagen. Zij heeft nog nooit van 'matig' gehoord en ik wil
weer terug, naar mijn eigen orde en overzicht. Ook dat is het plan. En
afstand de tactiek.
Ze draagt het shirtje, waarvan ik eens zei dat ik het haar mooiste
vind. Want het viel zo perfect en had precies de goede kleur rood. Ik
meende dat ook.
"Hoi. Hoe is het?"
"Mja, goed. Ik zocht je al voorin."
Ik zoen haar op haar linkerwang.
We lopen het perron af. Eerst langs de plastic badeendfamilie, in het
water bij het Groninger Museum. Die drijven al maanden in het stukje
water tussen de paviljoens. De laatste weken dreven ze er wat verloren,
slagzij en besmeurd met groene algen. "Ik heb je gemist.." En met één
lange kus veegt ze alle plannen van tafel.
¶ §Het eerste gebulder
De krant op mijn schoot is druk met de oorlog. Het staat vol interviews
met mensen die 'specialist' zijn. Meer door toevoeging van 'buiten
dienst' aan hun titel, dan door de dingen die ze zeggen. De
specialisten doen ieder waar ze goed in zijn, maar trappen gezamelijk
veel open deuren in. Ook dat is blijkbaar een specialisme.
Ik zit op een bankje op perron drie en wacht op haar. De zon schijnt,
vrolijk bijna, en het is warm. Soms hangt de symboliek ook helemaal
niet in de lucht. Het is volop lente en in Irak wordt volop gevochten,
maar nog geen trein.
Voor het Zaterdags Bijvoegsel is een Amerikaanse specialist
geïnterviewd. Het gaat over de strategische manoeuvres van de
Geallieerden. 'Shock and Awe' en meer van dat soort dingen. Allemaal
heel interessant, maar ik, de lezer, ben het gewauwel over oorlog wel
wat zat.
Ik kijk voor de zoveelste keer op en zie nu wèl een trein naderen.
Spoor drie is er één dat hier eindigt. Dat zij op dat spoor binnenkomt
is dan wel weer symbolisch. Ik sta op. De trein stopt en ik voel een
lichte opwinding, als altijd, wanneer ik haar afhaal. Verder is niets
normaal en ik huiver.
De deuren gaan open, ze zal wel voorin zitten. Maar daar stappen alleen
vreemden uit. Ik wiebel van de buitenkant van mijn ene voet naar de
andere en werp nog een blik op mijn krant. Pas dan zie ik het groot
afgedrukte citaat van de gepensioneerde generaal.
"Als de eerste kanonnen beginnen te bulderen,
kan ieder strijdplan de prullenbak in."